Ga naar de inhoud

Examensimulatie Meteorologie - Drone examen A2 - EU dronebewijs Open categorie gevorderd - oefenvragen en examentraining

Examensimulatie Drone examen A2 Meteorologie 30 vragen in 40 minuten

1 - De geostrofische wind is een wind:
2 - De gunstige voorwaarden voor het ontstaan van een zeewind zijn:
3 - Welke uitspraken over weerkaarten en weermeldingen zijn juist? 1) METAR leveren waarnemingen 2) TAF leveren luchthavenvoorspellingen 3) SIGMET melden gevaarlijke significante verschijnselen 4) TEMSI-kaarten stellen het significante weer voor
4 - In het gebergte kenmerkt het föhneffect zich aan de lijzijde door:
5 - De thermische turbulentie hangt af van: 1 - de omgeving 2 - de contrasten van de bodem 3 - de mate van labiliteit van de lucht 4 - de bekwaamheid van de piloot
6 - In Eindhoven worden in juli de volgende omstandigheden vastgesteld: heldere hemel, windstil, QNH 1028 hPa, rond 4:00 UTC waargenomen mist. De waarschijnlijke ontwikkeling van de omstandigheden zal zijn:
7 - De belangrijkste wolkenbasis (ceiling) duidt aan:
8 - De mechanische turbulentie hangt vooral samen met:
9 - Welke uitspraken over wrijvingsturbulentie zijn juist? 1) Hoe groter de oneffenheden van de bodem, hoe sterker de wrijvingsturbulentie 2) Hoe sterker de wind, hoe sterker de wrijvingsturbulentie 3) Wrijvingsturbulentie verdwijnt 's nachts volledig 4) Deze is sterker uitgesproken in de onderste lagen
10 - Welke uitspraken over wolken zijn juist? 1) Wolken ontstaan door condensatie of sublimatie van waterdamp 2) Wolken vormen zich over het algemeen door afkoeling van de lucht 3) Wolken worden ingedeeld naar geslacht 4) Mist is een wolk in contact met de grond
11 - De gevolgen van het venturi-effect zijn:
12 - Stralingsmist vormt zich bij voorkeur:
13 - Een stabiele luchtmassa bevordert eerder:
14 - Het belangrijkste gevaar van cumulonimbus voor een drone is:
15 - U neemt kennis van de TAF van Eindhoven: EHEH 300800Z 3009/3018 25008KT 4000 RADZ OVC002 BKN025 OVC250 TEMPO 0912 1500 DZRA OVC002 BKN020 BECMG 1215 28006KT BKN020 SCT050 BECMG 1518 SCT020 SCT050. De code TEMPO geeft een afname van de zichtbaarheid tot 1500 m aan:
16 - Een SIGMET betreft:
17 - De groep PROB30 in een TAF betekent:
18 - In een melding geeft de code "CAVOK" de (waargenomen of voorspelde) afwezigheid van ongunstige weersverschijnselen aan. Dit sluit echter de aanwezigheid van het volgende verschijnsel niet uit:
19 - Het dauwpunt is:
20 - Wanneer de code CAVOK wordt gebruikt:
21 - Welke uitspraken over hoogtewinden zijn juist? 1) Ze zijn vaak sterker dan aan de grond 2) Ze worden minder beïnvloed door wrijving 3) Ze verlopen steeds parallel aan het terrein 4) Ze kunnen duidelijk verschillen van de grondwind
22 - Bij onweer moet men in de eerste plaats:
23 - De windrichting wordt aangegeven door de hoek tussen de geografische noordrichting en het volgende:
24 - De anabatische wind komt overeen met:
25 - Een zeewind ontstaat door:
26 - Een onweersvalwind wordt aangeduid als:
27 - De groep BECMG in een TAF betekent:
28 - Er zijn twee stromingsregimes van lucht rond een lichaam:
29 - Een instabiele luchtmassa bevordert eerder:
30 - De groep TEMPO in een TAF betekent: